
In memoriam Willem Barnard 1920-2010
Op Eeuwigheidszondag, tijdens de Hoogmis - meldt de website van de oudkatholieke kerk waarvan hij al lange tijd lid was - is Willem Barnard overleden: dichter en theoloog. Ik ben absoluut niet in staat om zijn grote betekenis voor literair en kerkelijk Nederland te schetsen, maar zijn overlijden wil ik toch ook niet zomaar voorbij laten gaan. Ik had me ooit voorgenomen, de zondag na Barnards overlijden alleen liederen van hem te zingen. Dat lukte om praktische redenen niet, maar het zou voor elke tijd van het jaar geen enkel probleem moeten zijn. Alleen al aan het Liedboek leverde hij 76 liederen. En ook nog eens de vertaling, geheel of gedeeltelijk, van 38 Psalmen. Dat is nog maar een klein deel van zijn liederen en een nog kleiner deel van zijn dichtersoeuvre.
Mensen met meerdere gaven hebben vaak te maken met de tragiek, dat ze overal tussenin dreigen te vallen. Dat lijkt met Barnard soms wel gebeurd: dat hij onder de dichters toch de dominee was, terwijl hij bij zijn tijdgenoten de vijftigers wilde horen en misschien daarom ook wel een pseudoniem koos: Guillaume van der Graft. Onder de theologen werd hij toch altijd gezien als de dichter. Ik heb hem als theoloog leren waarderen uit Stille omgang, teksten bij het Brevier, de dagelijkse lezingen van de monniken in de kloosters. Vaak prachtige overwegingen: vroom, maar bescheiden en eerlijk. In de adventstijd kan ik het meestal niet laten ergens zijn woorden over Sinterklaas te citeren, waarin hij heel verrassend zomaar de sprong doet van het geloof in de Goedheiligman naar de mensenwording van Christus: God die bij mensen komt wonen in - inderdaad - puur menselijke aankleding. Zoiets is geen slip of the pen maar kenmerkt Barnard. Bij hem is alles met alles verbonden, zijn dichterschap en zijn theologisch schrijven met zijn persoonlijk geloof.
Bijgaand een lied bij de tijd van het jaar. Hij is ons ontvallen, zijn liederen blijven klinken.
Joep Dubbink
Wij van de aarde
Wij van de aarde
zoeken het paradijs,
samen op reis zijn we levenslang.
Al wat er goed is,
al wat van God is
doet ons verlangen naar zijn land.
Engelen zongen
't lied van verlangen voor,
wij zingen mee met een aardse stem.
Zolang wij leven
zoeken wij vrede,
God roept ons naar Jeruzalem.
Wie van de zoon is,
weet wat zijn schoonheid is:
vrede en liefde van mens tot mens.
Eer aan de Vader,
eer op de aarde,
met al mijn adem eer ik Hem!