Ds. Opweg strip

Ds. Opweg strip 2017-05-28

DsOpweg strip2017 05 28

Meditatie uit kerkblad Op Weg

‘VRIENDEN DIE ZIJN OVERLEDEN’

Afgelopen week kwam ik op het station een vriend tegen. Dat dacht ik tenminste; hij leek er alleen maar op. Voordat hij dichterbij kwam en ik dat kon zien, bedacht ik dat hij het vermoedelijk niet zou zijn: hij woont hier niet, hij komt hier nooit. Toen ineens brak het besef door dat hij het echt niet kon zijn: hij is bijna twee jaar geleden overleden. Hem zomaar ontmoeten is niet onwaarschijnlijk maar echt onmogelijk, voor altijd.

Heel even ervaar je op zo’n moment het pijnlijke van de dood. Even maar, en het ging over een vriend die ik graag nog eens gesproken had, maar die geen grote plaats in mijn leven innam. Hoeveel te meer, wanneer dat wél het geval is.

Logisch dat zoveel mensen verlangen naar, proberen te geloven in, een weerzien, een ontmoeting over de grenzen van de dood heen. Is dat er? Ik krijg die vraag geregeld voorgelegd, en ik voel me ermee onthand.

De ene helft van de vraag is vaak ‘wat zegt de Bijbel?’. Dat kan ik wel beantwoorden: de Bijbel zegt niet zo veel over het hiernamaals, het oude testament al helemaal weinig. In de tijd tussen oude en nieuwe testament kwam de gedachte steeds meer op, dat het met de doden niet zomaar afgelopen kon zijn. De slachtoffers van hevige vervolgingen, Joden die om hun geloof doodgemarteld werden, moesten die het doen met ‘je wordt herinnerd als een dapper mens, een trouw gelovige’? Zou er niet een toekomst voor hen zijn? De vraag stellen werd hem beantwoorden: Ja natuurlijk, onze God is trouw over de dood heen. En weerzien? Ook al weinig te melden. Jezus betoogt dat er een opstanding is (Luc. 20:27-40), maar van iets als huwelijk zal geen sprake zijn. Het lijkt te gaan om iets heel anders dan een voortzetting van dit leven op ongeveer gelijke wijze.

Dat is het Bijbelse verhaal. Niet veel, tegenover natuurwetenschap die vrij stellig zegt: als er al iets is als een ziel, een menselijke geest, dan is die gebonden aan het lichaam; geen beleving, geen ‘software’, zonder de ‘hardware’ van het lichaam.

Wat doen we? Als we alles weggeredeneerd hebben, durven we dan nog iets te geloven? Is er een weg voorbij de zekerheden van weleer maar ook voorbij het platte ‘wat ik niet kan aantonen is er niet’? Voor mij, naïef als het mag klinken, blijft het vertrouwen dat een mens bij God geborgen is in leven en sterven. Hoe, persoonlijk of onpersoonlijk, met of zonder ontmoeting? Geen idee. Het helpt ook niet direct: mijn vriend krijg ik niet meer te spreken. Maar Goddank: ik hoef hem niet in ‘de ijskou van voorbij’ te denken (Lied 733), maar mag zijn naam met die van de Eeuwige verbonden weten. Dat troost mij.

Ds. Joep Dubbink

CB Login