Preken lezen

Verkondiging zondag 1 oktober 2017

Lezingen: Efesiërs 3:14-21 – Lucas 7:11-17

Gemeente van onze Heer,

Elke keer als zo’n verhaal als dat van vanmorgen aan bod is, over die overleden jongen, moet ik even slikken. Wat kun je daarover zeggen dat hout snijdt, wetend dat er mensen in de kerk zitten die een kind verloren hebben? Want dat is namelijk zo. Dat gebeurt, nog steeds. Vroeger meer dan nu, maar ook in onze tijd met alle voorzieningen, medische zorg, veiligheidsriemen en bromfietshelmen, blijft een mensenleven kwetsbaar. Wat niet hoort, voor ieders gevoel – dat een kind sterft vóór zijn of haar ouders – gebeurt soms toch. En wat zegt ons dan zo’n verhaal van lang geleden, dat eenmalig, bij uitzondering, de gebeurtenissen een keer namen? Waar is Jezus dan nu, als je hem nodig hebt?! Met die vraag in het achterhoofd gaan we lezen.

Twee optochten komen elkaar tegemoet bij de stadspoort van het stadje Naïn: Jezus met zijn leerlingen, en een rouwstoet. We krijgen verrassend veel informatie over de dode. Hij is de enige zoon van zijn moeder, en die moeder is weduwe. Zo krijgt het verhaal nog meer reliëf: die moeder blijft alleen over. Het emotionele, het verdriet om het missen van een kind, zal ze alleen moeten verwerken, en daarnaast is er ook nog het praktische, het overleven. Weduwen horen niet voor niets tot de bijbelse drieslag ‘vreemdeling, wees en weduwe’ (vorige week nog gelezen, Deuterono-mium 24:19), de zwakke groepen in de samenleving die niemand hebben om op terug te vallen. Een weduwe zonder kinderen is zo’n kwetsbaar iemand in het kwadraat: deze ‘eniggeboren zoon van zijn moeder’ had voor haar moeten zorgen. Nu is ze alleen.

Jezus wordt ‘met ontferming bewogen’, lezen we: een intense term die iets te maken heeft met wat je in je buik voelt, met fysieke emotie wanneer je geconfronteerd wordt met zulk heftig verdriet. Ik denk dat we dat herkennen; hoe afgestompt ook een nieuwsbombardement, sommige berichten over rampen die iemand treffen komen lijfelijk bij je binnen.

En dan wordt het verhaal bijna filmisch in slow-motion verteld: Jezus raakt de baar aan – blijkbaar is hij niet bang voor de rituele onreinheid die het contact met een dode oplevert; hij spreekt de dode aan – blijkbaar is de dood voor hem geen reden om de communicatie te stoppen; en dan gebeurt het: de jongeman gaat overeind zitten.

Wat nu? Hoe kan dat? Moeten we denken aan een logische verklaring, een diepe coma, schijndood? Moeten we het op het conto schrijven van een tijd waarin men misschien wat sneller geloof hechtte aan wonderlijke zaken?

Laten we het nog wat moeilijker maken. Er is een Griekse mythe over ene Apollonius van Tyana, een niet-christelijke filosoof en asceet behorend tot de Neo-pythagoreïsche richting, vrijwel een tijdgenoot van Jezus. Over hem wordt verteld dat hij in een even schrijnende situatie – een bruid die onmiddellijk na haar huwelijk sterft – een vergelijkbaar wonder doet en de vrouw tot leven wekt. Wat moet je daarmee? Als je het zo naast elkaar zet, als losse verhalen, dan valt het moeilijk het ene wel te geloven en het andere niet. Het gaat dan om de betrouwbaarheid van de getuigen: en Lucas die ons dit vertelt is maar alleen, de andere drie evangelisten vertellen dit verhaal niet. Waarom niet, kenden ze het niet, of vonden ze het niet geloofwaardig?

Zo, met dit losse verhaal tegenover een ander los verhaal over een magiër, komen we er niet. Maar het verhaal van Lucas is geen los verhaal. Het is geen incident, niet een eenmalig kunststukje. Het is een verhaal waarin verteld wordt, in alle concreetheid, dat God een God van levenden is. Dat verhaal is ingebed in het hele verhaal van de God van Israël, die telkens weer op cruciale momenten leven voor zijn mensen mogelijk maakt, al vanaf het roepen van Abraham en de uittocht uit de slavernij van Egypte. Dat Hij dat doet, is een geloofswaarheid, die soms stralend aan het licht komt, maar soms ook helemaal niet. Heel soms wordt die waarheid even letterlijk werkelijkheid als in dit verhaal; Elia (1 Koningen 17:17-24) doet een vergelijkbaar wonderteken, en Elisa ook (2 Koningen 4:18-37), en uit de bewoordingen blijkt dat Lucas naar die verhalen gekeken heeft [Bijvoorbeeld ‘Hij gaf hem terug aan zijn moeder’, 1 Koningen 17:23 en Lucas 7:15]. Met dit verhaal wil hij duidelijk maken dat Jezus niet onder doet voor de beide profeten van oudsher, maar net als zij die levenskracht van God bij zich draagt en uitdeelt.

Hoe doen ze dat? Elia en Elisa deden dat met een ritueel waarbij ze bovenop de dode gingen liggen en ongeveer diens dood-zijn met hun levenskracht terugdrongen. Bij Jezus gaat het net iets anders: ik denk dat bedoeld is, dat hij geneest door zijn ontferming. Jezus heeft medelijden, of liever, is ten diepste begaan met de jongen en zijn moeder, en bij hem zet dat iets in beweging, en de dode staat op. Dat is het geheim van Jezus’ liefde, die is sterker dan de dood. Paulus spreekt daar in heel andere taal over, maar hij bedoelt hetzelfde als hij het heeft over alle drie dimensies van de liefde van Christus: lengte, breedte, hoogte en diepte – hoezo diepte? Waar moet ik die plaatsen? Een grapje van Paulus, denk ik, om hier vier dimensies op te noemen en zo te laten merken dat de liefde van God ‘buiten de lijntjes kleurt’, uit de geijkte kaders barst, ons platte bestaan of onze hooguit drie dimensies openbreekt naar zijn toekomst.

En nu we toch zoeken en tasten naar beelden: misschien mogen we het niet alleen wat dieper maar ook wat breder zien. Bijbelse verhalen zijn vaak geen gebeurtenissen over alleen maar die toevallige mens, ze hebben meer lagen. We weten dat in het oude testament de relatie tussen God en zijn volk vaak als een liefdesrelatie, een huwelijk, wordt gezien, en dat de geboorte van een zoon in tal van verhalen staat voor toekomst. Als je zo opnieuw naar dit verhaal kijkt, zou het dan kunnen zijn dat dit verhaal over ons gaat? Dat de vrouw staat voor eenzaamheid, Gods volk van Hem losgeraakt? En dat de gestorven zoon staat voor gebrek aan toekomst, perspectief dat verdwenen is? Dan zou het verhaal een diepte krijgen die je mist wanneer je het alleen maar leest als berichtje in het Galilees Nieuwsblad, pagina 5 gemengde berichten. Ook als het je lukt het letterlijk te aanvaarden, blijf je wat ‘verwezen’ achter: fijn voor die twee, maar wat hebben wij daaraan? Waarom gebeurt dit niet hier en nu?

Daarom zou ik het zo wel willen lezen: dat het over ons gaat, zou moeten gaan. Dat wij geroepen zijn met ontferming bewogen te raken over het lijden dat we op ons pad treffen, ons daar niet angstvallig van terug te trekken, maar elkaar het leven toe te zeggen. En nee, dan zullen we misschien geen doden tot leven wekken, maar wellicht wel de dood in de pot weten te keren, en weer leven brengen in doodgelopen situaties.

En voor u nu denkt: nou draait hij weg van het concrete wonderverhaal, en maakt hij het zichzelf te makkelijk – dat staat nog te bezien! Ik geef het u te doen: ik vermoed dat veel meer mensen bereid zijn voor waar aan te nemen dat ooit een dode levend geworden is, dan dat er bereid zijn te geloven dat wij mensen in staat zijn dorheid en doodsheid te keren! Wie durft geloven dat de kerk toekomst heeft, wanneer naar menselijke maat¬staven de vergrijzing over tien jaar tot achter de komma valt uit te reke¬nen? Wie durft geloven dat mensen iets kunnen doen aan wat ons dode¬lijk bedreigt: klimaat- en milieuproblemen die onze wereld aantasten terwijl politici zich bezighouden met letterlijk kleingeld.

En voor als u er toch niet aan wilt: lees het slot van het verhaal nog eens. De jongen is de ‘eniggeboren zoon’ van zijn moeder – en hoe heette Jezus ook weer, de eerstgeborene van de Vader... de jongen begint te spreken – en de menigte heeft het over een profeet die is opgestaan. Hoort u het? Wij vullen veel te snel in, dat Jezus die profeet is, maar van de jongeman wordt gezegd dat ie is opgestaan en spreekt – en spreken is wat profeten doen. Natuurlijk gaat die uitspraak óók over Jezus, maar ik geloof dat Lucas bewust dat soort verwarring schept, en de jongen en Jezus in elkaar laat schuiven, en dat het verhaal zo een paasverhaal wordt; wie opstaat doet dat niet voor zichzelf. In de jongeman en zeker in Jezus zelf staan wij ook op.

Waar zijn we nu met ons vertrekpunt, de realiteit dat mensen nog steeds een kind kunnen verliezen? Die realiteit is er nog steeds, net als de mensen die dat aan den lijve hebben ondervonden. Maar dit verhaal geeft hoop, moed, zegt dat het zo niet hoort en laat zien hoe het eigenlijk zou moeten zijn waar Jezus het voor het zeggen heeft. En het nodigt ons uit, te vertrouwen in mogelijkheden die we zelf niet zien, te hopen waar alle hoop verdwenen is.

Straks hebben we afscheid, en bevestiging; ‘had je daar je wat meer aandacht aan kunnen geven?’ Sorry, vandaag ging dat niet, we doen dat straks uitvoerig maar laat er hier dit over gezegd zijn, dat elk afscheid en elke bevestiging hier maar iets heel relatiefs is. Dit verhaal over leven en dood, dat is het grote verhaal, en wij als kerk zijn zinvol bezig als we ons rond dat verhaal scharen. Of je dat doet als vrijwilliger, met een belofte, als ambtsdrager, als musicus, als koster, dat is niet onbelangrijk maar laten we met Luther zeggen dat het enige ambt dat er echt toe doet, het ‘ambt van alle gelovigen’ is: niemand van ons is meer of minder, niemand mag zich ook ontslagen weten van het beroep dat de Eeuwige op ons doet, en niemand valt buiten de belofte die in dit soort verhalen ons gegeven wordt.
Amen.

Bezinning en Verdieping

Life@Faith

Life@Faith

Life@Faith wordt gevormd door een klein aantal jongvolwassenen.

Iedere tweede donderdag van de maand van 20.30 tot 22.00 komen wij bij elkaar in de huiskamer. Iedereen (tussen de 19 en 50 jaar) die zich me

Nog te lezen preken

CB Login