Preken lezen

Zondag 6 augustus 2017, Schutse

Lezingen: Jeremia 7:1-11, Romeinen 8:12-17, Matteüs 7:15-21

Gemeente van onze Heer,

‘Naastenliefde is de kurk waarop we allen drijven – En we benne op de wereld om mekaar om mekaar om mekaar om mekaar, te hellepe nietwaar’.

Dit fraaie lied uit de TV-serie ‘’t Schaep met de vijf poten’ is hier weleens ten gehore gebracht, en volgens mij nog meegezongen ook – en zeg nou zelf, is dat nou niet eigenlijk de samenvatting van het hele evangelie? ‘Ach dominee, al dat geloop naar de kerk, al dat zingen en bidden… ’t Gaat toch gewoon om een beetje medemenselijkheid, niewaar dominee?’

Ik moet zeggen, ruim 30 jaar hoor ik dat nu vertellen, en weet nog steeds niet goed wat ik ermee aan moet. Want als ik dat hoor, bekruipen mij twee tegengestelde gedachten, die zich niet zomaar met elkaar laten rijmen.

Mijn eerste impuls is, om de spreker volledig gelijk te geven. Hij of zij heeft, vaak zonder het te weten, een hele serie Bijbelteksten in de rug als onder­steuning. Bijvoorbeeld een paar die we vanmorgen gelezen hebben, het evangelie en dat stuk uit Jeremia. Maar ook de Jakobusbrief en nog een heel stelletje profeten. Tal van verhalen en betogen zijn gericht tegen de hypo­crisie van gelovigen die wel mooie woorden spreken maar er in de praktijk niets van maken. “Aan de vruchten ken je de boom”, “niet wie ‘Heer, Heer roepen’ zullen Gods koninkrijk binnengaan, maar wie de wil van de hemelse Vader doet”. En die wil van God, die doe je in het dagelijks leven. Punt.

Maar

mijn tweede impuls is, om te betogen dat het zó eenvoudig niet klaar is met geloof en kerk en kerkdienst en bidden en alles wat we doen. Ik wil in de verdediging – en nou kan je zeggen, logisch, je werkt voor die club, het gaat om je baantje, maar ik mag hopen dat er nog iets meer achter zit.

Want ik merk namelijk, dat mijn gesprekspartner, na zo’n opmerking over naastenliefde die veel belangrijker is dan al het andere, denkt dat het daar­mee af is. Dat ‘ie daarmee voldoende heeft verklaard waarom ‘ie niet in de kerk komt – hij of zij heeft daar voor zichzelf vast goede redenen voor, daar wil ik niet aankomen, maar de suggestie is duidelijk: kerk is overbodig.

Die gesprekspartner weet meestal niet, dat ‘ie ook dáárvoor grote namen als getuige zou kunnen opvoeren. De 18e-eeuwse humanist Voltaire, die zelf dacht wel z’n eigen morele beslissingen te kunnen nemen, maar die God desnoods zou willen uitvinden voor de eenvoudige zielen, die straf en belo­ning nodig hebben. Redelijk neerbuigend tegenover kerk en kerk­gangers... Nee, dan liever Nietzsche, de ‘filosoof met de hamer’, zo’n dikke honderd jaar geleden, die frontaal in de aanval gaat, en gelovigen zwakke­lingen noemt, mensen die de rauwe werkelijkheid van het leven niet aan­kunnen, en daarom steun zoeken bij een denkbeeldige vriend, een godheid (komen twee avonden over in het najaar, met onze huisfilosoof Johan Burger).

Kort gezegd: de gedachte dat je uiteindelijk de boom kent aan de vruchten, en dat het om medemenselijkheid gaat, betekent dat dan ook dat dat het is, dat het geloof z’n zin is kwijtgeraakt en dat we wel zonder kunnen?

Mijn antwoord: absoluut niet. Niet is minder waar.

Als we hebben vastgesteld dat het gaat om het dagelijks leven, dan begint het pas. Dan krijgen geloof, godsdienst, kerk en kerkgang pas hun goede plek, hun zin.

Want ‘mekaar hellepe’: alsof dat vanzelf ging! Alsof we het er om te beginnen al over eens zouden zijn, wie ‘mekaar’ is, wie daarbij ingesloten wordt en wie eventueel uitgesloten: groepsgenoten, landgenoten, buiten­landers, vluchtelingen? Andersdenkenden, en hoe anders mogen ze denken? En alsof we het erover eens waren wat helpen is, en hoe je elkaar goed helpt, niet betuttelend, op onze voorwaarden, ook niet zo dat er misbruik van je gemaakt wordt.

En wat te doen met mensen, die niet van plan zijn elkaar te helpen, maar elkaar een hak zetten: hoe ga je om met het negatieve, het kwaad? En wat te doen met jezelf, als je jezelf tegenvalt en ontdekt dat je veel egoïstischer bent dan je eigenlijk dacht, en veel meer jezelf helpt dan die ander? Als je zit met je eigen tekort, je schuld?

Wat te doen, als je soms het gevoel hebt dat we niet dichter bij die wereld komen van mensen die elkaar helpen, maar er verder vanaf drijven? Hoe om te gaan met de neerslachtigheid, de wanhoop?

En wat te doen met de vragen die overblijven, zelfs als je probeert goed te leven en het goed hebt met de mensen om je heen; de vraag naar lijden dat met de beste wil van de wereld niet te voorkomen is, tegenslag, ziekte, verdriet en gemis? De vraag naar de dood, het laatste taboe: het einde van ons leven en wat we dan wel of niet mogen verwachten.

En, wat tot nu toe ontbrak, het is u vast wel opgevallen: of het woord ‘God’ nog een zin heeft, een toegevoegde waarde. Of dat we die naam zonder probleem kunnen weglaten. Als Jezus zegt dat niet zij die ‘Heer, Heer’, roepen het Koninkrijk zullen binnengaan, dan vatten sommigen dat op als een aanmoediging om maar helemaal op te houden met het aanroepen van de Heer. Zou dat de bedoeling zijn?

* * *

Laten we eens iets beter kijken naar wat er staat. Beginnen we bij Jeremia. De profeten staat erom bekend, dat ze een haat-liefdeverhouding hebben met de tempel en de officiële godsdienst, bijvoorbeeld de offers. Dat geldt zeker voor Jeremia, die daarbij vér gaat. De redevoering waarvan wij een stukje lazen staat bekend als de zogenaamde ‘tempelprediking’. Jeremia gaat, en volgens zijn beschrijving in opdracht van God! – staan bij de ingang van de tempel, en spreekt de binnenkomende mensen toe, vermoedelijk op een hoogtijdag, een pelgrimsfeest – bij ons zou je toch ook kerstochtend tien voor tien kiezen. Het was gebruik, dat er bij binnenkomst een soort welkomstliturgie was, een koor van priesters of Levieten, en misschien werd er wel in beurtzang gezongen. Sommige Psalmen lijken daarvoor te zijn gemáákt. Stel je maar eens voor dat je bij binnenkomst werd toegezongen met Psalm 24:

       Wie mag de berg van de HEER bestijgen,

       wie mag staan op zijn heilige plaats?

En dat het antwoord dat je moest meezingen dan zou zijn:

       Wie reine handen heeft en een zuiver hart,

       zich niet inlaat met leugens, en niet bedrieglijk zweert.

Dat klinkt mooi, maar het is liturgie, en alle liturgie kan wennen, een gewoonte, een sleur worden. Dat je dit zegt, zingt, garandeert dat, dat je het ook doet? Dat we elke dienst beginnen met ‘Onze hulp in de naam van de Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft, garandeert dat, dat wij met die aarde die ons gegeven is zorgvuldig en verstandig omgaan? Was het maar waar.

Jeremia wil iets anders, die wil uit boven het ritueel en de brave woorden. Daarom wil hij choqueren, mensen confronteren met wat ze aan het doen zijn – profeten lijken soms erg op de cabaretier die net te ver gaat, dingen zegt die niemand wil horen. Dolf Jansen vanmorgen bij ‘Vroege Vogels’, over de schone schijn van de reclame, voor mijn gevoel net té maar het zet je wel aan het denken.

Zo werkt Jeremia ook. Hij gaat óók bij die ingang staan, met zijn alternatieve liturgie:

Vertrouw niet op leugenwoorden, die zeggen:

       de tempel van de Heer

       de tempel van de Heer

       de tempel van de Heer is dit.

Hoezo leugenwoorden? Dat is toch gewoon wáár, die pelgrims uit uithoeken van het land staan zich toch juist te vergapen aan dat grootse bouwwerk dat de tempel was, zoals later Jezus’ leerlingen zich er ook aan vergaapten (Mar. 13:1)? Maar in Jeremia’s beleving is het niet waar: doordat men zich niet werkelijk liet gezeggen door de woorden die daar klonken, over recht en gerechtigheid, werd de liturgie tot een aanfluiting en de tempel mocht niet meer met recht ‘huis van de Heer’ heten.

Dat is nog veel fellere kritiek dan de persoon waar ik mee begon, die het maar liever op het dagelijks leven hield in plaats van het geloof. Die zou vermoedelijk zeggen, dat kerkgang noch goed noch slecht was, gewoon niet zo boeiend. Jeremia is veel feller. Die zegt tegen zijn tijdgenoten: als je het zo doet als jullie, dan is het effect negatief! Je gaat maar je gang met alles wat God verboden heeft – hij somt meer dan de helft van de tien geboden op – en dan kom je hier, in de tempel, en dan zeg je ‘wij zijn geborgen’. Blijkbaar ontleen je een soort van zekerheid aan de tempelliturgie: ook voor jouw zonden wordt een beest geslacht, om vergeving gesmeekt, en klaar ben je. Maar dan is dat huis, dat gebouw, niet meer de tempel van de Heer.

Zo, dat is niet misselijk. Jeremia gooit er nog de beeldspraak van de tempel als rovershol achteraan, en dat beeld is niet zomaar gekozen. Een rovershol is de uitvalsbasis van de rovers, de plek waar ze zich terugtrekken na hun wandaden en zich veilig wanen – dat is nog eens felle kritiek op de gods­dienst zoals die reilt en zeilt! Het werd ook niet gepikt, Jeremia kreeg massieve tegenstand van de kant van de priesters, en werd zelfs bijna gelyncht (Jer. 26:1-19). En als Jezus later hetzelfde doet, de tempel schoon­veegt en die woorden van Jeremia aanhaalt, en daarna worden de plannen gesmeed voor zijn gevangenneming (Mat 21:14-17 en 45-46).

Alleen, Jeremia is ervan overtuigd dat in plaats van dit soort verkeerde, huichelachtige godsdienst er niet een soort ‘dienst van de goede bedoe­lingen van mensen van goede wil’ moet komen, maar de ware gehoorzaam­heid aan de geboden van God. Voor hem is het niet God en de dienst aan Hem die afgedaan heeft, maar is wat het volk doet, afgodendienst: afdwalen en je door andere dingen laten fascineren. Daarbij kan de naam van God niet afgeschaft, integendeel.

De vraag aan ons is natuurlijk, of we dat herkennen. Ik moet eerlijk zijn: ik zie onder u weinig van die ‘wolven in schaapskleren’. Blijkbaar zijn dat zelf­ver­klaar­de profeten die het volk misleiden met een andere boodschap, mis­schien makkelijker, minder veeleisend dan Jezus’ woorden in de Bergrede.

Mijn zorg voor onze kerk is niet, de hypocrisie – collega’s die alleen maar op eigenbelang of geld uit zijn, die ken ik werkelijk niet, daarvoor moet je in de VS zijn met zijn tv-predikers die miljoenen verdienen, daarvoor is ons salaris dan ook weer niet hoog genoeg, en terecht...! Mijn zorg is, dat we onze relevantie verlie­zen. Dat we teveel met onszelf bezig zijn, het misschien wel te goed en te gezellig hebben met elkaar; of ons juist verliezen in een krampachtig ‘mensen, kijk toch eens hoe leuk kerkzijn is’ – totdat het leuke de inhoud niet meer versterkt, maar verdringt. Ik hoop dat we bezig blijven met de vragen die er werkelijk toe doen, de vragen die Jezus en de anderen ons steeds weer voorhouden: over gerechtigheid, vrede, hoe je moet leven, wat je mag hopen.

Wat mij betreft heb ik daar dit voor nodig, deze setting: woorden horen die (soms) hout snijden, met een gezag dat uitgaat boven de kakofonie van belangen en media; weten van een gezag dat een naam  heeft, die van God; een stem die boven allerlei zelfbenoemde trendwatchers uitgaat. Juist omdat het gaat om die medemenselijkheid, heb ik het nodig dat ik daar elke keer weer bij bepaald word door iets wat, Iemand die boven mijzelf uitgaat.

* * *

Ik heb in het begin een beetje afgegeven op ‘’t Schaep’ en dat lied over ‘we benne op de wereld om mekaar te helepe niewaar’. Zo hoop ik dat u en ik het verhaal iets langer onthouden dan anders – maar helemaal eerlijk is het niet, want ik ontdekte tot mijn verrassing dat die tekst meer inhoud heeft dan ik dacht. Niet alleen wordt er ergens zomaar een ‘amen’ tussendoor geroepen, alsof de schrijver ook wel weet dat ‘ie zich op religieus terrein aan het begeven is, maar in het laatste couplet gaat ‘ie helemaal los, dan horen we ineens pure ‘eschatologie’ – zoals dat in het theologisch jargon heet, toekomstverwachting:

       ‘Ziet (!) reeds gloort de dageraad die ons 't licht gaat brengen

       De zon die aanstonds alle kwaad op aarde zal verzengen.’

Natuurlijk zit daar een knipoog in, maar toch, het is de taal van de psalmen, waar de zon vaak een beeld voor de Eeuwige is (vgl. Ps. 19:5, 84:12)! Ik had dat nog nooit gehoord, en toen heb ik natuurlijk opgezocht wie de schrijver van dit lied was. Had het kunnen weten: Eli Asser, die zijn joodse wortels niet verloochent en ook wel weet dat er nog iets te verwachten is dat boven onze goede bedoelingen uitgaat.

Hou dat maar vast, en laat dan die buurman en buurvrouw die het op de medemenselijkheid gooien maar hun gelijk – want dat hebben ze. En blijf toch maar trouw aan het luisteren naar Gods stem, het zingen van zijn lof, het bidden om een vernieuwing van deze wereld – want zo houden we het vol.

Amen!

Bezinning en Verdieping

Life@Faith

Life@Faith

Life@Faith wordt gevormd door een klein aantal jongvolwassenen.

Iedere tweede donderdag van de maand van 20.30 tot 22.00 komen wij bij elkaar in de huiskamer. Iedereen (tussen de 19 en 50 jaar) die zich me

Nog te lezen preken

CB Login