Meditatie uit kerkblad Op Weg

‘Mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen’

         God schiep de mens als zijn evenbeeld,

         als evenbeeld van God schiep hij hem,

         mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen. (Genesis 1:27)

 

We hebben de afgelopen jaren geleerd dat de (onder)scheiding tussen mannen en vrouwen niet zo loepzuiver te maken is als je zou denken: er zijn mensen die zich anders voelen dan hun lichaam aangeeft en mensen die zich helemaal niet op één geslacht willen vastleggen. ‘Dames en heren’ in de trein werd ‘beste reizigers’ en er wordt niet meer naar geslacht gevraagd wanneer dat niet nodig is. Prima, maar lost het discriminatie op, wanneer je er ‘gewoon niet op let’? Ik denk dat dat niet werkt, evenmin als goedbedoeld ‘doen alsof je kleurenblind bent’ niet zomaar helpt tegen discriminatie van mensen met een andere kleur dan wit.

Want in de praktijk is het verschil tussen man en vrouw ongeveer het eerste wat we van elkaar waarnemen. En we doen daar ook iets mee. Bij sportwedstrijden onderscheiden we tussen vrouwen en mannen, anders zou het niet eerlijk zijn wegens de fysieke verschillen. En sociaal werkt het ook heel anders: in groepen met overwegend of alleen mannen gebeurt iets anders dan in groepen die gemengd zijn of overwegend uit vrouwen bestaan. Niet beter of slechter, maar anders.

Wat te doen? Niet meer over geslacht praten betekent, dat het intussen gewoon doorgaat, discriminatie, #metoo, of macho-gedrag. Het er steeds maar over hebben reduceert mensen voor je het weet tot twee soorten, ♂ of ♀, met alle verwachtingspatronen van stoere mannen en ‘vrouwelijke’ vrouwen.

Misschien helpt Genesis 1. Ik leer ervan, ten eerste, dat God geen man en vrouw schiep, maar ‘mannelijk en vrouwelijk’, wat in de grondtaal heel andere woorden zijn; variatie dus, want dat is er, goddank! Maar hopelijk geen stramien, geen afgepaste set van eigenschappen. Ieder mens is verschillend, en dat mag, de zorgzame empathische man is geen zacht ei, evenmin als de vrouw die stevig de leiding kan nemen een kenau is. En omgekeerd. En het mooie is: dat wordt in één adem gezegd met het ‘beeld van God’ zijn. Als mannelijk en vrouwelijk beide beeld van God kunnen zijn, dan moet God dus beide in zich hebben. De Eeuwige doet dus in elk geval al niet mee met het strak onderscheiden van beide, maar kan zorgzaam en zachtmoedig als een moeder zijn (toch maar weer dat oerbeeld, dat is er nu eenmaal) maar ook dominant en krachtig. Dan wij ook: allemaal verschillend, allemaal Gods evenbeeld.

Ds. Joep Dubbink