Monumentje

Mo(nu)mentje

Vanzelf uitnodigend

Sinds 1995 gaan Hans en ik in de maand mei altijd twee weken naar Denemarken. Heerlijk rustig en meestal héél mooi zonnig weer. Dat is mooi meegenomen, want we gaan met de tent. Veel wandelen door bos en langs stranden. De kleine dorpjes hebben vaak mooie witte kerkjes die we graag bezoeken. Vaak zijn er verse bloemen in speciale vaasjes in de kerkbank langs het middenpad. In de Kersttijd komt daar een kaars in. Ook hangt er dikwijls een groot schip in de kerk.

Tegenwoordig zijn de kerkjes helaas niet altijd open. Twee weken geleden liepen we vol verwachting met uitgestoken hand naar de deurkruk, maar vlak voor we die bereikten ging de deur vanzelf uitnodigend open! Deze moderne sensortechniek hadden we nog niet meegemaakt. We voelden ons heel erg welkom! Anita van den Bosch

 

De roomse kapper

In de veertiger en vijftiger jaren van de vorige eeuw was het in kerkelijke kring gebruikelijk om je boodschappen te doen bij ondernemers uit je eigen kerkgemeenschap. Zo hadden wij als gereformeerd gezin met vier jonge kinderen een gereformeerde slager, een gereformeerde kruidenier, een gereformeerde kapper en zelfs twee gereformeerde bakkers die beurtelings hun brood bij ons bezorgden.
En toen brak de hongerwinter aan: 1944-1945. Gebrek alom, al kan ik me daar niet veel van herinneren.
Op een gegeven ogenblik moest mijn vader naar de kapper. De kapper ontving hem zoals gebruikelijk, maar deze keer zei hij er iets bij. Hij zei: ‘Mijnheer Eeltink, ik wil u graag knippen, maar boven op de kosten daarvan vraag ik u om één aardappel.’ En die ene aardappel had mijn vader niet… Maar gelukkig was er nog een andere kapper in ons dorp. En zo kwamen wij bij de roomse kapper terecht…

Voor mij is deze anekdote altijd een illustratie geweest van wat honger is: Zelfs geen aardappel, boterham of wat ook maar hebben om te eten. Onvoorstelbaar in een tijd als de onze waarin grote hoeveelheden kostbaar voedsel soms zo maar worden weggegooid. Daar zou je niet aan mee moeten willen doen… Wim Eeltink

 

Delfts mo(nu)mentje

Voor mijn studie binnenhuisarchitectuur moest ik Leeuwarden verlaten en woonde ik vijf jaren in Rotterdam. In het vierde jaar werd ik uitgenodigd een mij onbekende Fries die in Delft studeerde te vergezellen tijdens een toneelavond daar. Spannend! Het toneelstuk: ‘Er kwam een engel uit Babylon’. Bij het station in Delft ontmoette ik hem. Tjerk was zijn naam. Amper in het theater gearriveerd zei hij: ‘Tonny, er loopt hier nog een Teeuw rond’. Nieuwsgierig als ik ben laat ik me dat geen twee keer zeggen. Er op af dus! Ik ontmoette Jaap Teeuw, een knappe, blonde, blauwogige student. Aan de bar gezeten krijg je vaak de leukste gesprekken en dat gebeurde. Waar over spraken wij? Waar kwamen we op uit? Op dezelfde overgrootvader! Stel dat ik, 60 jaar geleden, ‘nee’ had gezegd op de uitnodiging dan was die mooie blonde jongeman aan mijn leven voorbij gegaan. Ton(ny) Teeuw-Teeuw.

 

Lekker!

Enige tijd geleden ging ik voor in de zondagse kerkdienst in Maria-Oord in Vinkeveen. Een tehuis waar mensen met een lichamelijke of een geestelijke handicap verzorgd worden. De meeste bezoekers worden door vrijwilligers opgehaald en teruggebracht. De dienst verliep als gebruikelijk tot ik aan het einde de ‘Heenzending en Zegen’ uitsprak. De ‘Heenzending‘ had ik net uitgesproken en vervolgde met: ‘Ga nu heen in vrede en ontvang de zegen van de Heer.’ Toen hoorde ik plotseling uit de zaal iemand roepen: ‘Dat is lekker!’ Een licht gegrinnik steeg op. Ik maakte, ook inwendig mee grinnikend, de dienst af door de oudtestamentische zegenbede uit te spreken. Anton van Hilten

 

Toga

Gereformeerd Amsterdam in de jaren ’50. Hervormde predikanten droegen vaak al hun zwarte toga. De gereformeerden aarzelden. Maar ineens verscheen één van de zeer geliefde predikanten op een zondag in ’t zwarte gewaad. Verrassing bij de kerkgangers en kritische blikken. Moest dat nou? De predikant rekende op vragen in de kerkenraad. Daar citeerde hij olijk Jacob Cats: ‘Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding’. Iedereen gerustgesteld.

Er was ook een professor met preekbevoegdheid, veel gevraagd voorganger. Zijn rug wat krom en hij wars van uiterlijk vertoon. Toen hij jubileerde werd hem in een dienst een toga aangeboden. Erg blij was hij niet, maar hij moest het nieuwe gewaad wel meteen aantrekken. Spontaan citeerde hij in zijn dankwoord psalm 69 vers 12 uit de oude Statenvertaling: ’En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan’. Onbekend is of hij die toga daarna gedragen heeft.

Buxus of Buskes

Veertig jaar had ik mijn bloemenzaak op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam. Dat levert heel wat verhalen op. Dichtbij was er de Oranjekerk; ds. Buskes was daar een geliefd predikant. Ik heb hem goed gekend omdat ik in die kerk koster ben geweest. In mijn winkel verkocht ook de buxusplanten. Amsterdammers hebben hun eigen taalgebruik. Misschien wat slordig, maar altijd origineel. Klanten die een buxus wilden vroegen meestal om een buskes. Zij kregen hun buxus mee en glimlachend dacht ik dan altijd weer aan die ene echte Buskes.

Nu ik toch bezig ben. Graag ben ik aanwezig bij de weeksluitingen in Het Hoge Heem. Ze kunnen daar wel een stevige zangstem gebruiken. Soms zijn er in dezelfde dienst twee dames Meijer actief: één als voorganger en één achter het orgel. Na afloop grap ik dan: ’wat een gemeijer’. Liefs, André Borgman

 

Opa en zijn kleinzoon

Vlak voor kerstmis, ruim tien jaar geleden. Hand in hand met kleinzoon Jip, zes jaar oud, liep ik door het winkelcentrum. Mild stemmende kerstmuziek uit de luidsprekers. Ineens hield Jip de pas in en keek mij aan. ‘Opa, als jij dood gaat, ga ik wel huilen hoor’.
Even stilte; totale verrassing. Nooit heeft een knuistje zo warm in mijn hand gevoeld.
Ik weet niet meer wat op dat moment mijn antwoord was. Misschien: ‘Jip, dan moet je nog wel even wachten’. Of: ‘lachen als iemand dood gaat zou veel erger zijn’. Misschien ook: ‘tranen zijn goed voor je ogen want ze maken die schoon’.
Jip is inmiddels al lang een heerlijke puber en dus nog steeds zo’n pracht joch. Opa hoopt dat als Jip ter zijner tijd dat beloofde traantje zal wegpinken, hij niet de enige zal zijn.

 

Jezus, nog steeds een vraag

In een museum, in een stille zaal, hangt een afbeelding van Christus aan het kruis. Een vader met twee kinderen, basisschoolleeftijd, komt voorbij. Het meisje: ‘Kijk een beeld van Jezus!’ De jongen: ‘Ik geloof niet in Jezus.’ Het meisje: ‘Pap, wie was Jezus?’ De vader: ‘Jezus was de zoon van God. God kun je niet zien. Jezus wel. Hij was de belichaming van God op aarde. Dat was voor mensen heel belangrijk.’ Het meisje weer: ‘Maar waarom hebben ze hem dan gedood?’ De vader: ‘Dat is een goede vraag. Dat weet ik niet zo goed. Dat moet je oma eens vragen, die weet dat wel.’ Uw waarnemer schreef dit ter plekke op, verwonderd over zoveel theologie waar je die niet direct verwacht. Gedachten erbij: wat een goede vraag van dat meisje; wat een mooi antwoord van de vader, en wat eerlijk om te zeggen waar hij het niet meer wist. En: er ligt een taak voor oma’s (en opa’s) om op zulke vragen een (begin van) een antwoord te kunnen geven! Joep Dubbink

 

Zondag twaalf uur

De grote deuren van de kerk staan open en een stoet kinderwagens met daarachter moeders en vaders komt de kerk binnen voor ‘Kerk op Schoot’, o.l.v. onze jeugdwerker Catherine Verviers. Een heerlijke aanblik als je net de deur uit wilt gaan! Henriëtte

 

Mo(nu)mentje gevraagd

Ken je de Mo(nu)mentjes? Stuur een herinnering aan iets die blijvend is, humoristisch of ontroerend. Een moment in je leven dat eigenlijk een monumentje werd. Een kort stukje, tien regels. Bijdragen of tips? Job Dienske 0297 564986 job.dienske@hetnet.nl