Monumentje

Mo(nu)mentje

Voor wie steek jij een kaarsje aan?

Een druilerige zaterdagmiddag in november. Mensen lopen met hun boodschappen naar de auto. In De Schutse brandt licht, er hangt een uitnodiging om voor iemand een licht aan te steken. Dat kan zomaar na je boodschappen!

De kerk is open. Binnen is het warm. Kaarsen branden voorin de kerk. Hier en daar zitten mensen, alleen of met meerderen. Bij de tafel kan je iets drinken, een praatje maken, of stilletjes bij elkaar zitten.

Het maakt niet uit of je vaker in deze kerk bent, of niet. Iedereen is welkom, er is ruimte, plaats en als je wilt een luisterend oor. Welkom in Gods Huis. Henriëtte

Oude Kerk

Oude Kerk acht uur ’s ochtends.
Het wordt langzaam licht.
Een geluidsexperiment,
synthesizer en orgel.

Ik zit in een houten overdekte bank,
neig of draai mijn hoofd.
Versterk golvende trillingen
die ik hoor, of voel.
Golven horen die er niet zijn.

Veel mensen liggen begraven in die kerk.
Meer dan er samen die ruimte kunnen beleven.
Het is hoopvol dat stilte
gehoord wordt.

 

Hemels moment

In de cantorij, onder bezielende leiding van Wim van der Spek, ervaarde ik hoe een gezongen tekst kan doordringen in het hart. Toch had ik het vaste besluit genomen om te stoppen. (Druk, druk, druk… Toen ook al!)

Op vakantie in Zweden bezochten we het prachtige houten kerkje van Palerne. Mooi zomerweer, een drukte van belang. Geen mogelijkheid om je even in de stilte terug te trekken en je aan het hemelse te wijden. Toch waren we plotseling in de kerk zowat alleen. Buiten nog wat geroezemoes. Toen klonken van een bandje de tonen van een antifoon bij psalm 84: Hoe lieflijk, hoe goed is mij, Heer, het huis waar Gij uw naam en eer hebt laten wonen bij de mensen.

Een bekend en ontroerend geluid. Wij zongen dat met de cantorij ook! Ik begreep dit hemelse moment ten volle. Ik zou niet stoppen. Vele jaren ben ik mee blijven zingen in die cantorij. Zoveel mooie, dierbare momenten… Hans

Musjes

Gereformeerd Amsterdam in de jaren vijftig, elke zondag tweemaal naar de kerk. De meeste kerkgangers op hun vaste plaatsen. In Amsterdam Zuid was er de familie Mus. Moeder en vader met acht kinderen. Zij zaten midden voorin op rij twee. Vielen dus wel op. Vooral als ze laat waren, als de aanvangspsalm al werd aangeheven.

Toen die ene zondagmiddag. Opzet of toeval? We weten het niet, maar het is waar gebeurd. De dominee gaf psalm 84 vers 2 op. Uit volle borst zong de gemeente ‘Zelfs vindt de mus een huis o Heer, de zwaluw legt haar jongskens neer.’ Op dat moment kwamen de tien Mussen binnen, groot en klein, ze nestelden zich op hun stoelen. Hilariteit, maar het lied is nooit hartstochtelijker uitgezongen. Of de familie later ooit nog te laat gekomen is?

 

Vakantiewerk en de hemel

Vakantiewerk in 1946, als HBS-scholier, bij een tuinder. Samen met een medewerker ging ik in zijn tuin werken. We kwamen gezellig aan de praat en hij vroeg me naar welke kerk ik ging. Dat was de Gereformeerde kerk in de Amstelhoek. (De naam Kruiskerk kreeg die kerk pas toen De Schutse was gebouwd). Hij ging naar de rooms-katholieke kerk aan de Schans. Op een gegeven ogenblik vroeg hij: ‘Weet je wanneer je naar de hemel moet gaan? Op zaterdag, want dan is Paulus naar de barbier en Petrus is zijn wekelijkse borrel halen.’

‘Typisch katholiek’, dacht ik. ’s Avonds aan tafel vertelde ik dit mooie verhaal. Mijn vader reageerde of hij door een wesp gestoken was. Met uitgestrekte arm en wijsvinger, zei hij onverbiddelijk, zoals ik mijn vader niet kende: ‘Jij gaat niet meer naar die tuinder.’ Anton

 

Vanzelf uitnodigend

Denemarken is in mei heerlijk rustig en meestal héél mooi zonnig weer. Kleine dorpjes hebben vaak mooie witte kerkjes die we graag bezoeken. Vaak zijn er verse bloemen in speciale vaasjes in de kerkbank langs het middenpad. In de Kersttijd komt daar een kaars in. Ook hangt er dikwijls een groot schip in de kerk.

Tegenwoordig zijn de kerkjes helaas niet altijd open. Twee weken geleden liepen we vol verwachting met uitgestoken hand naar de deurkruk, maar vlak voor we die bereikten ging de deur vanzelf uitnodigend open! Deze moderne sensortechniek hadden we nog niet meegemaakt. We voelden ons heel erg welkom! Anita

 

De roomse kapper

In de veertiger jaren was het gebruikelijk je boodschappen te doen bij ondernemers uit je eigen kerkgemeenschap. Wij hadden als gereformeerd gezin met vier jonge kinderen een gereformeerde slager, een gereformeerde kruidenier, een gereformeerde kapper en zelfs twee gereformeerde bakkers die beurtelings hun brood bij ons bezorgden.
En toen de hongerwinter. Gebrek alom, al kan ik me daar niet veel van herinneren.
Op een gegeven ogenblik moest mijn vader naar de kapper. De kapper ontving hem zoals gebruikelijk, maar deze keer zei hij er iets bij. Hij zei: ‘Mijnheer Eeltink, ik wil u graag knippen, maar boven op de kosten daarvan vraag ik u om één aardappel.’ Die ene aardappel had mijn vader niet… Maar gelukkig was er nog een andere kapper in ons dorp. En zo kwamen wij bij de roomse kapper terecht…

(Zelfs geen aardappel, boterham of wat ook maar hebben om te eten. Onvoorstelbaar in onze tijd waarin grote hoeveelheden voedsel zomaar worden weggegooid…) Wim

 

Delfts mo(nu)mentje

Als student werd ik uitgenodigd een mij onbekende Fries te vergezellen tijdens een toneelavond in Delft. Spannend! Bij het station in Delft ontmoette ik hem. Tjerk was zijn naam. Amper in het theater zei hij: ‘Tonny, er loopt hier nog een Teeuw rond’. Nieuwsgierig als ik ben laat ik me dat geen twee keer zeggen. Er op af dus! Ik ontmoette Jaap Teeuw, een knappe, blonde, blauwogige student. Leuke gesprekken aan de bar. Waar kwamen we op uit? Op dezelfde overgrootvader! Stel dat ik zestig jaar geleden ‘nee’ had gezegd op de uitnodiging. Dan was die mooie blonde jongeman aan mijn leven voorbij gegaan. Tonny

 

Lekker!

Voorganger in de kerkdienst in een tehuis waar mensen met een lichamelijke of een geestelijke handicap verzorgd worden. De meeste bezoekers worden door vrijwilligers opgehaald en teruggebracht. De dienst verliep als gebruikelijk tot ik aan het einde de ‘Heenzending en Zegen’ uitsprak. De ‘Heenzending‘ had ik net uitgesproken en vervolgde met: ‘Ga nu heen in vrede en ontvang de zegen van de Heer.’ Plotseling riep iemand uit de zaal: ‘Dat is lekker!’ Een licht gegrinnik steeg op. Inwendig mee grinnikend sprak ik de oudtestamentische zegenbede uit. Anton

 

Toga

Gereformeerd Amsterdam in de jaren ’50. Hervormde predikanten droegen vaak al hun zwarte toga. De gereformeerden aarzelden. Maar ineens verscheen één van de zeer geliefde predikanten op een zondag in ’t zwarte gewaad. Verrassing bij de kerkgangers en kritische blikken. Moest dat nou? De predikant rekende op vragen in de kerkenraad. Daar citeerde hij olijk Jacob Cats: ‘Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding’. Iedereen gerustgesteld.

 

Tot mijn kleed aangedaan

Er was een professor met preekbevoegdheid, veel gevraagd voorganger. Zijn rug wat krom en hij wars van uiterlijk vertoon. Toen hij jubileerde werd hem in een dienst een toga aangeboden. Erg blij was hij niet, maar hij moest het nieuwe gewaad wel meteen aantrekken. Spontaan citeerde hij in zijn dankwoord psalm 69 vers 12 uit de oude Statenvertaling: ’En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan’. Of hij die toga nog gedragen heeft?

Buxus of Buskes

In de Oranjekerk was ds. Buskes een geliefd predikant. In mijn bloemenzaak dichtbij verkocht ik ook buxusplanten. Amsterdammers hebben hun eigen taalgebruik. Misschien wat slordig, maar altijd origineel. Klanten die een buxus wilden vroegen meestal om een buskes. Zij kregen hun buxus mee en glimlachend dacht ik dan altijd weer aan die ene echte Buskes. André

 

Gemeijer

Bij de weeksluitingen in Het Hoge Heem kunnen ze wel een stevige zangstem gebruiken. Soms zijn er in dezelfde dienst twee dames Meijer actief: één als voorganger en één achter het orgel. Na afloop grap ik dan: ’wat een gemeijer’. André

 

Opa en zijn kleinzoon

Vlak voor kerstmis liep ik hand in hand met kleinzoon Jip (6 jaar) door het winkelcentrum. Mild stemmende kerstmuziek uit de luidsprekers. Ineens hield Jip de pas in en keek mij aan. ‘Opa, als jij dood gaat, ga ik wel huilen hoor’.
Even stilte; totale verrassing. Nooit heeft een knuistje zo warm in mijn hand gevoeld.
(Ik weet niet meer wat mijn antwoord was. Misschien ‘Jip, dan moet je nog wel even wachten’. Of ‘Lachen als iemand dood gaat zou veel erger zijn’. Of ‘Tranen zijn goed voor je ogen want ze maken die schoon’.)

 

Jezus, nog steeds een vraag

In een museum, in een stille zaal, hangt een afbeelding van Christus aan het kruis. Een vader met twee kinderen, basisschoolleeftijd, komt voorbij. Het meisje: ‘Kijk een beeld van Jezus!’ De jongen: ‘Ik geloof niet in Jezus.’ Het meisje: ‘Pap, wie was Jezus?’ De vader: ‘Jezus was de zoon van God. God kun je niet zien. Jezus wel. Hij was de belichaming van God op aarde. Dat was voor mensen heel belangrijk.’ Het meisje weer: ‘Maar waarom hebben ze hem dan gedood?’ De vader: ‘Dat is een goede vraag. Dat weet ik niet zo goed. Dat moet je oma eens vragen, die weet dat wel.’ (Wat een goede vraag van dat meisje. Wat een mooi antwoord van de vader. Wat eerlijk om te zeggen waar hij het niet meer wist.) Joep

 

Zondag twaalf uur

De grote deuren van de kerk staan open. Een stoet kinderwagens met daarachter moeders en vaders komt de kerk binnen. Voor ‘Kerk op Schoot’, onder leiding onze jeugdwerker Catherine Verviers. Een heerlijke aanblik als je net de kerk uit gaat! Henriëtte

 

Mo(nu)mentje gevraagd

Ken je de Mo(nu)mentjes? Stuur een herinnering aan iets die blijvend is, humoristisch of ontroerend. Een moment in je leven dat eigenlijk een monumentje werd. Een kort stukje, tien regels in het kerkbad. Of nog korter, voor de website. Bijdragen of tips? Job Dienske 0297 564986 job.dienske@hetnet.nl